Feiten
FNV en VOBN zijn partijen bij de cao. Artikel 2 van de cao bepaalt het volgende: “Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. De cao eindigt van rechtswege. Gedurende de periode dat tussen partijen nog geen nieuwe overeenkomst is gesloten, blijven de bepalingen van de oude overeenkomst van kracht”. Artikel 47 van de cao regelt de bijdrageverplichting van de werkgever voor de financiering van de doelstellingen van de SFM. De SFM-bijdrage wordt elk jaar – na een voorlopige vaststelling door het bestuur van de SFM – definitief bepaald door de cao-partijen.
VOBN informeert FNV en het bestuur van SFM dat haar werkgeversleden geen verlenging van de cao wensen en dat daarmee het sociaal fonds niet langer in stand hoeft te blijven. Desalniettemin wordt vervolgens – namens het bestuur van de SFM – het voorstel voor de SFM-bijdrage 2015 ter goedkeuring aan VOBN voorgelegd, waarbij tevens duidelijkheid wordt gevraagd over de toekomst van het fonds. VOBN houdt vast aan het standpunt dat er geen SFM-bijdrage meer geldt.
FNV vordert bij de voorzieningenrechter veroordeling van VOBN tot onmiddellijke nakoming van hetgeen bepaald is in het SFM-Bijdragereglement, inhoudende een bekrachtiging van de door het bestuur van SFM vastgestelde hoogte van de bijdrageverplichting. VOBN voert als verweer dat de cao van rechtswege is geëindigd en dat de nawerkingsbepaling van de cao (artikel 2, derde volzin) niet van toepassing is op obligatoire en diagonale bepalingen. Dit geldt – volgens VOBN – derhalve ook voor de in artikel 47 van de cao bepaalde bijdrageverplichting.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter oordeelt dat – in principe – enkel horizontale bepalingen in een cao nawerking hebben. Dit zijn de bepalingen die rechtstreekse verplichtingen tussen de werknemer en werkgever creëren. Obligatoire, respectievelijk diagonale bepalingen creëren verplichtingen tussen de cao-partijen, althans diens leden tegenover de cao-partijen. Volgens de voorzieningenrechter hebben cao-partijen met de derde volzin van artikel 2 van de cao een verderstrekkende nawerking beoogd dan die rechtens geldt als standaard. Dit geldt te meer nu partijen in het betreffende artikel geen onderscheid hebben gemaakt in het type cao-bepaling. De voorzieningenrechter leidt hier uit af dat alle bepalingen van de cao hun gelding hebben behouden. Dit geldt derhalve ook voor de bijdrageverplichting opgenomen in artikel 47 van de cao.
Commentaar
Na afloop van een cao geldt in principe geen nawerking voor de daarin opgenomen obligatoire bepalingen. Echter, cao-partijen kunnen anders overeenkomen. Bij het maken van dergelijke afspraken dienen partijen goed in overweging te nemen welk bereik zij aan de cao willen toekennen. Getuige de onderhavige uitspraak kan onduidelijkheid mogelijk tot een resultaat leiden, dat anders is dan één of meerdere cao-partijen hebben beoogd.
Rechtbank Midden-Nederland, 13 maart 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1701
Auteur Rogier Kingma is werkzaam als advocaat bij Baker & McKenzie Amsterdam N.V.












